Over plinten, ontmoeting en een inclusieve Zuidas

Tony Wijntuin van WYNE Strategy & Innovation houdt zich bezig met de plinten van gebouwen: de begane grond waar stad en gebouw elkaar raken. Na een loopbaan bij Schiphol begon hij voor zichzelf en adviseert hij over de programmering van plinten, altijd met oog voor kwaliteit, levendigheid en maatschappelijke waarde. Voor Tony zijn goede plinten veel meer dan commercieel vastgoed: ze bepalen hoe welkom, veilig en inclusief een stadswijk voelt.
Je houdt je al jaren bezig met de plinten van gebouwen. Wat fascineert je zo aan dat stukje stad op straatniveau?
“Plekken hebben me altijd gefascineerd. Ik heb op veel verschillende plekken gewoond en me altijd afgevraagd: wat maakt dat een plek prettig voelt? Bij Schiphol is die fascinatie echt gegroeid. Daar zag ik hoe mensen bewegen, waar ze blijven hangen en welke voorzieningen wel of niet werken. De plint is maar een klein deel van een gebouw, maar bepaalt voor een groot deel wat je voelt op straat. Daar gebeurt het: mensen komen binnen, lopen naar buiten, ontmoeten elkaar. Juist op ooghoogte ontstaat dynamiek, sfeer en aantrekkingskracht.”
Je noemt de plint vaak het meest publieke deel van een gebouw. Waarom speelt juist die plek zo’n belangrijke rol in hoe toegankelijk en inclusief een wijk voelt?
“Omdat de plint direct invloed heeft op hoe veilig, levendig en uitnodigend een plek aanvoelt. Een goede plint zorgt voor ogen op straat, voor beweging en voor ontmoeting. Maar ook voor diversiteit: als je goed programmeert, krijgen niet alleen grote ketens een plek, maar ook kleinere ondernemers, maatschappelijke initiatieven en culturele makers. Dan ontstaat een wijk waar verschillende mensen zich kunnen herkennen. Inclusiviteit zit dus niet alleen in beleid of woorden, maar ook heel letterlijk in wat je op straatniveau aanbiedt. Dáár merk je of een wijk echt openstaat voor verschillende doelgroepen.”
Waar merk je aan dat een plint echt goed werkt? Kun je een voorbeeld noemen van een straat of plek waar dat volgens jou goed lukt?
“Dat voel ik meteen. Als een plint donker, dichtgeplakt of spiegelend is, dan gebeurt er niks. Je voelt dan bijna vanzelf: hier wil ik doorlopen. Een goede plint trekt je juist naar binnen. Je ziet mensen in- en uitlopen, er is reuring, verrassing en een menselijke maat. Een goed voorbeeld vind ik de gemiddelde Amsterdamse stadsstraat, met een mix van winkels, horeca en lokale ondernemers. Op Zuidas vind ik De Pizzabakkers bij Valley sterk werken: die plek maakt zo’n groot, indrukwekkend gebouw opeens klein, toegankelijk en menselijk.”
Zuidas staat bekend als een zakelijke wijk. Welke rol kunnen levendige plinten spelen in het creëren van een meer diverse en uitnodigende buurt?
“Een enorme rol. Te lang is Zuidas vooral ingericht op één profiel: mensen die hier werken, vaak hoogopgeleid en met een goed inkomen. Maar een stadswijk is natuurlijk veel breder dan dat. Goede plinten maken ruimte voor andere doelgroepen, andere ondernemers en andere verhalen. Dan krijg je geen eenvormige wijk, maar een plek met karakter. Ik zeg al langer: waarom is er op Zuidas nog geen Turkse groenteboer of een creatieve broedplaats? Juist zulke plekken maken een wijk herkenbaar, menselijk en aantrekkelijk voor veel meer mensen dan alleen de traditionele kantoorwerker.”
Op Zuidas komt ook een museum: Hartwig Proxy. Wat kan zo’n culturele plek betekenen voor de levendigheid en inclusiviteit van de wijk, juist op straatniveau?
“Zo’n culturele plek kan ontzettend veel betekenen. Het biedt letterlijk een podium aan nieuwe makers, andere perspectieven en een breder publiek. Dat is precies wat een stadswijk nodig heeft. Cultuur trekt mensen die anders misschien niet naar Zuidas zouden komen, en zorgt voor een andere energie op straat. Ik heb hier eerder al gezien wat dat kan doen: ineens stond er een heel ander publiek, met een andere uitstraling en vibe. Dat soort momenten zijn belangrijk. Dan voel je: dit is niet alleen een werkgebied, maar een plek waar iets gebeurt en waar verschillende werelden samenkomen.”
Als je één ding zou mogen toevoegen of veranderen aan de plinten op Zuidas, wat zou dat zijn?
“Dan zou ik eigenlijk vooral iets weghalen: alle spiegelende folie en gesloten gevels. Transparantie is essentieel. Je moet kunnen zien wat er binnen gebeurt. Zodra je zicht hebt op een plek, ontstaat nieuwsgierigheid, contact en veiligheid. Gesloten plinten maken een straat afstandelijk en anoniem, terwijl open plinten juist leven brengen. Natuurlijk hoor je weleens dat zo’n gevel onderdeel is van het architectonisch concept, maar ik denk dan: als het op straatniveau niet werkt, moet je durven ingrijpen. Een stad maak je uiteindelijk niet voor de architectuur, maar voor de mensen die erdoorheen lopen.”
Tekst: Elisa Schouten
Foto: Davide Heijmans